Podium
NTR

Nu pas zijn de oorlogsverhalen van de 17 Joodse Concertgebouworkestleden vereeuwigd

foto: Milagro Elstak

Zeventien Joodse musici telde het Concertgebouworkest, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Al snel werden ze verdreven uit het orkest. Opvallend veel musici overleefden de oorlog, maar ze kwamen gebroken terug in het orkest. Lang is er gezwegen over hun verhaal. Professor Willem de Haan is de eerste die de levensverhalen van alle zeventien Joodse musici optekent, in zijn boek ‘Terug!’. In Podium vertelt hij over die bijzondere verhalen.

De Haan is emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij deed onderzoek naar historische oorlogsmisdrijven. Eerder schreef hij het boek 'Tango van de dood', over orkesten in de concentratiekampen.

Hij dacht altijd dat de verhalen van de Joodse musici van het Concertgebouworkest wel bekend zouden zijn. Daar vergiste hij zich in, tot zijn eigen verbazing. De Haan nam het op zich om de levensverhalen van de zeventien musici uit te zoeken en op papier te zetten.

Het Joodsch Symphonie Orkest

In Amsterdam was er een bloeiend muzikaal leven vanuit de Joodse gemeenschap. Het Concertgebouworkest was in de jaren dertig uitgegroeid tot één van de beste orkesten ter wereld. En zeventien van de tachtig orkestleden waren Joods. De orkestleden speelden ook uit buiten het orkest veel samen in kamermuziekensembles. De musici kwamen veel bij elkaar over de vloer.

In eerste instantie werd er geprobeerd om de Joodse musici in het orkest te houden. Het bleek een futiele strijd. De Haan schrijft in zijn boek: "Als een eerste blijk van welwillendheid werden vier Joodse violisten een paar plaatsen naar achteren gezet waardoor ze minder zichtbaar waren voor het publiek. Maar al gauw bleek dat dit bij lange na niet genoeg was. Het was de bedoeling dat het bestuur het orkest van zijn Joodse musici zou 'reinigen'."

De Joodse orkestleden werden in 1941 ontslagen en mochten spelen in een speciaal opgericht orkest. Er werd door het landsbestuur verwacht "dat de ‘arisering’ van de Nederlandse symfonieorkesten een stuk soepeler zou verlopen als Joodse orkestleden naar een Joods orkest zouden kunnen worden overgeplaatst."

Verdienstjuden

Zes orkestleden kwamen uiteindelijk op een lijst van 'Verdienstjuden' te staan. Dat betekent dat de nazi's dachten dat het Joden waren die nog "van nut" zouden kunnen zijn. Zij werden in 1943 gestuurd naar een kamp in Barneveld waar ook andere 'Verdienstjuden' verbleven. De situatie was daar niet veel beter dan in andere concentratiekampen. Bovendien werden ze na een paar maanden alsnog overgebracht naar Westerbork.

Jo Sloghem, Ben Meijer, Sal Snijder, Siegried de Boer en Simon Haagman zijn samen te zien op beelden van de orkestbak in de grote zaal van Westerbork. Dat was een amusementsorkestje dat lichte muziek speelde. "De kampcommandant hield niet van de klassieke muziek", zegt De Haan.

Later zouden de musici in Theresienstadt belanden. Voordat de orkestleden van het Concertgebouworkest daar aankwamen bestond er al een omvangrijk orkest en waren er opera-uitvoeringen. "Het vernietigen en beschadigen van klassieke muziek op zo'n hoog niveau was aan de orde van de dag. Ze moesten daar helemaal opnieuw beginnen", zegt De Haan.

Onderduiken

Acht orkestleden overleefden de oorlog door onder te duiken. De Haan moest flink op onderzoek uit om de onderduikadressen te achterhalen. "Door te puzzelen, deduceren en informatie te combineren valt alles op zijn plek."

Als voorbeeld noemt De Haan trompettist Jo Sloghem. "Hij woonde in de Diamantbuurt. Toen is hij ondergedoken in de Maasstraat, want de Duitse Martha Hilkenbach die er woonde, bleek eerder de buurvrouw te zijn geweest."

Ook trof hij via een Stolperstein de naam van Simon Furth aan de Apollolaan. "De onderduikgever die daar woonde, Clara Nachenius, bleek een begaafd violist. Simon Furth speelde bij haar kamermuziek, dus die kenden elkaar!"

De Joodse musici waren niet ondergedoken bij leden van het Concertgebouworkest, dat viel De Haan wel op. "Enkelen met hulp van verzet. Vaak via leerlingen en mede-musici." Het uitblijven van hulp door de orkestleden zou een verklaring kunnen zijn voor de moeite die de Joodse musici hadden met terugkeren in het orkest.

Vermoord

Drie orkestleden zijn vermoord in de Tweede Wereldoorlog: Simon Furth, Simon Gomperts en Jacques Muller.

Furth was ondergedoken maar werd verraden bij een verplaatsing naar een ander onderduikadres. Gomperts werd vroeg in de oorlog opgepakt, vermoedelijk bij een razzia, en in Auschwitz bij aankomst vermoord. Muller was aan het vissen in de zomer van 1942, maar dat was voor Joden verboden. Hij kwam via Kamp Amersfoort en Westerbork terecht in Auschwitz waar hij bij aankomst is vermoord.

Terugkeer

Veertien musici hebben de oorlog overleefd. Dat is een uitzonderlijk hoog aantal. Twaalf van hen zouden terugkeren bij het Concertgebouworkest.

Toch is een hele generatie aan veelbelovend muzikaal talent door de Holocaust vernietigd. Als het niet gebeurde door moord, dan kwam het wel door de opgelopen ziekte en trauma's.

Het verhaal van Sal Snijders is tekenend. Uit het boek: "Hij was in Theresienstadt ziek geworden en te zwak om het spelen in het orkest te kunnen volhouden. Na een lang ziekbed kwam hij op 3 september 1950 op 52-jarige leeftijd te overlijden."

Violist Sam Tromp had grote moeite om zijn oude muzikale vorm terug te vinden. Uit het boek: "Feit is dat hij onder grote een psychische spanning leefde, last kreeg van nerveuze klachten en problemen ondervond bij het vioolspelen. Hij had regelmatig kramp in zijn linkerhand en soms moeite om met zijn rechterhand de strijkstok stil te houden. Het belette hem niet om te blijven spelen; hij wist de moeilijkheden altijd weer te overwinnen en verkeerde in de veronderstelling dat geen van zijn collega’s er ooit iets van heeft gemerkt."

In de steek gelaten

De Haan sprak voor het boek één ooggetuige, inmiddels 100 jaar oud, die de terugkeer van de orkestleden heeft meegemaakt. Hij beschreef een grote vreugde bij het orkest. De teruggekeerde musici waren echter van binnen afgestompt.

Harpist Rosa Spier liet zich het duidelijkst uit. Uit het boek: "Harpiste Rosa Spier voelde zich niet meer thuis. Niet in Amsterdam, waar het leek 'of de vreugde […] bij vrienden en collega’s groter was dan bij haarzelf'. Maar ook niet in het orkest, dat haar confronteerde met 'hoe totaal ze in het begin van de veertiger jaren door het orkestbestuur [en] haar ("niet-Joodse") collega’s […] in de steek was gelaten'."

De Haan vermoedt dat dezelfde ideeën hebben geleefd bij de andere teruggekeerde orkestleden. Desondanks hebben meerdere teruggekeerde Joodse musici tot het eind van hun carrière bij het Concertgebouworkest gespeeld, onder wie Sam Tromp, die na zijn pensioen tot erelid werd gemaakt.

Overleefd

Opvallend veel van de orkestleden zijn teruggekeerd. Ongebruikelijk veel zelfs. Een vraag die De Haan aan het denken heeft gezet.

Veel musici zaten in een gemengd huwelijk. Zij werden pas later opgepakt. Dat een aantal musici een uitzonderingspositie kregen als 'Verdienstjuden' heeft ook uitstel opgeleverd.

Rol van Mengelberg

De positie van Willem Mengelberg is omstreden. Hij was dirigent van het Concertgebouworkest voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Mengelberg kreeg in 1947 een dirigeerverbod opgelegd vanwege zijn samenwerking met nazi's.

De Haan zou niet zover gaan om te zeggen dat Mengelberg een nazi-sympathisant was, maar wel zeker een Duitsland-sympathisant. Tegelijkertijd had Mengelberg een goede relatie met Joodse musici. In het boek schrijft De Haan: "Voor Mengelberg waren de Joodse musici onmisbaar, omdat 'zij nu eenmaal de bésten zijn. En als men een goed orkest wil maken, moet men alleen de besten uitzoeken.'"

De Haan ziet dat recent stemmen opgaan om Mengelberg positiever te beoordelen, omdat hij Joodse musici zou hebben gered. Maar: "Dat weerleg ik." De Haan ziet dat Mengelberg niet heel actief bezig was met het lot van de Joodse musici in het orkest. Het was de bestuursvoorzitter van Het Concertgebouw, Gerrit Hendrik de Marez Oyens, die hard lobbyde voor een uitzonderingspositie van de orkestleden in de Jodenvervolging

Willem Mengelberg

foto: ANP

Dirigent Willem Mengelberg kreeg na de oorlog een dirigeerverbod.

Reacties van nazaten

Nazaten van de musici die geportretteerd zijn in het boek, kwamen naar Nederland voor de boekpresentatie. Zoals Milly de Boer, dochter van violist Siegfried de Boer. "Zij had haar vader nooit goed gekend", vertelt De Haan. Hij ging naar Israël, terwijl Milly achterbleef in Nederland. "Haar vader is vroeg met pensioen gegaan omdat hij niet verder kon in het orkest. De lichamelijke en psychologische gevolgen van het verblijf in de kampen."

Tijdens de Zesdaagse oorlog kwam De Boer terug naar Nederland. Hij kwam in Amersfoort snel terecht in een psychiatrische instelling voor slachtoffers van de Holocaust. "Dat drukte op haar, ze had hem nooit goed gekend. Toen ik haar een boek gaf, zei ze dat ze haar vader zo toch een beetje terugkomt."

Ook de nazaten van onderduikgevers kwamen langs bij de boekpresentatie. In het boek noemt De Haan hen "helden". "Zij verdienen het dat ook hun namen worden genoemd en niet worden vergeten."

"Er is een Joods gezegde", zegt De Haan, "dat je pas dood bent als je naam niet meer wordt genoemd. Ik zeg: je moet ook de verhalen kunnen herinneren. Het is een erkenning van het onrecht dat hen is gedaan."

foto: Milagro Elstak

Milly de Boer bij het herdenkingsteken in de omloop van de Grote Zaal, kijkend naar de naam van haar vader, violist Siegfried de Boer.

Hoop

De grote levensles die De Haan trekt uit dit project: "Dat er hoop is. Want zoveel van deze Joodse musici wisten in deze barre omstandigheden toch nog te overleven."

'Terug!' is online te bestellen. Vanwege grote belangstelling komt er een tweede druk aan.

Op 19 oktober 2026 was Willem de Haan te gast in de studio, om over zijn boek te spreken met Hans Haffmans.

Luister het gesprek terug

Advertentie via ster.nl
Advertentie via ster.nl